dinsdag 10 januari 2012

Proefschrift Femke Nijland

Op dinsdag 20 december 2011 promoveerde Femke Nijland in Tilburg met het proefschrift "Mirroring interaction, an exploratory study into student interaction in independent working".

Nijland kijkt in dit onderzoek vanuit een linguïstisch perspectief naar het voortgezet onderwijs. Hoewel het onderzoek niet specifiek gericht is op het wiskunde onderwijs geeft het onderzoek wel inzicht in iets dat met de dagelijkse gang van zaken in de wiskundeles te maken heeft. Ze onderzocht namelijk hoe leerlingen met elkaar praten tijdens zelfstandig werken in de les, dus op het moment dat leerlingen aan het werk gaan met het maken van opgaven uit het boek en daarbij met hun buurman of buurvrouw mogen overleggen. Ook bij wiskunde een vertrouwde situatie.

Een aantal bevindingen willen we hier in het bijzonder noemen.

Het proefschrift start met een hart onder de riem. In het eerste deelonderzoek bleek dat de onderzochte leerlingen in zo'n 80% van hun interactie over de opdracht praatten en slechts zo'n 20% over privé-zaken. Leerlingen switchten vaak naar deze privé zaken als ze de opdracht niet snapten of wanneer ze klaar waren. Geklets tijdens zelfstandig werken blijkt daarmee een goede functie te hebben voor het signaleren van problemen.....

Maar... de studie toont ook aan dat de leerlingen een groot deel van hun interactie gebruikten om helder te krijgen wat ze nu precies moesten doen, volgens de opdracht in het boek en volgens de docent. De functie van taal waarmee kennis geconstrueerd wordt gebruikten de leerlingen maar weinig. Interessant was dat wanneer een van de leerlingen toch kennis construeerde, door een redenering of een hypothese uit te spreken, de andere leerling hem afkapte met een verwijzing naar de correcte procedure: redeneren was immers nooit expliciet onderdeel van de taak. In sommige gevallen werd de redenering zelfs helemaal genegeerd. Daarmee kwam ook de vakinhoud onder druk te staan.

Leerlingen bleken in hun interactie met elkaar het taalgebruik van de docent te spiegelen. De docent instrueerde zijn leerlingen met dezelfde procedure-gerichte taalfuncties en gebruikte ze op dezelfde manier als zijn leerlingen vervolgens onderling deden. Leerlingen spraken met elkaar zoals hun docent met hen sprak. Leerlingen leken het taalgebruik van hun docent over te nemen als de juiste manier van praten. De docent is daarmee niet alleen een leraar, maar ook een rolmodel op verschillende niveau’s. Als een docent zijn leerlingen vooral instrueert, praten leerlingen vooral met elkaar in termen van wat ze moeten doen.

Zou die observatie betekenen dat om leerlingen ànders met elkaar te laten praten, de docent alleen zijn taalgebruik hoeft aan te passen? Ja en nee, zegt Nijland. In haar laatste deelonderzoek heeft ze geprobeerd om docenten anders met hun leerlingen te laten praten. In de gevallen waarin ze daarin slaagde, construeerden de leerlingen inderdaad meer kennis. Het was echter behoorlijk moeilijk voor de docenten om andere taalfuncties te gebruiken. Nijland geeft als verklaring dat een andere manier van praten, onderdeel worden van een andere cultuur vergt en dat is niet van de een op de andere dag gerealiseerd. Nijland pleit er dan ook voor dat docenten zich bewust worden van hoe ze met hun leerlingen praten en welk effect dat heeft op het leren van leerlingen. Alleen dan kunnen docenten leren hun manier van praten in te zetten om hun onderwijsdoelen te bereiken.

Links:

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Related Posts Plugin for WordPress, Blogger...